Autoimmuun

Hij werd ziek mijn lieve buurman. Hij voelde zich niet lekker en viel een paar keer van zijn fiets omdat hij duizelig werd. Op een nacht werd hij wakker en voelde dat zijn kussen nat was. Hij deed het licht aan en z’n kussen was rood van het bloed. Hij had een flinke bloedneus. Toen hij het mij vertelde zat ik acuut weer in de collegezaal, de geniale internisten Linthorst, Wiersinga en Michielse gaven met z’n drieen les, want het was een belangrijke patient deze keer. De buurman van Dave. Ze gaven de studenten in de zaal de gelegenheid om vragen te stellen aan mijn buurman die het allemaal wel mooi vond zo voor in de collegezaal.

“Heeft u vaker last van neusbloedingen?”
“Die duizelingen, wanneer is dat begonnen?”
“Bij die duizelingen, heeft u dan het idee dat de wereld om u heen draait?”
“Gebruikt u medicijnen?”
“Heeft u co-morbiditeiten?”

Linthorst: “Even aan de patient uitleggen wat je daar mee bedoelt he, we hebben niet allemaal geneeskunde gestudeerd…”

“O ja, bent u bekend met diabetes?”

Michielse: “Mijnheer weet wat het is, maar heeft het niet”

Wiersinga: “Ja, wij wisten het ook niet meteen, wat zouden jullie eerste gedachten zijn voor de mogelijke oorzaken?”

“Waar denken we aan bij de duizeligheid?”

Ze worden in no-time opgenoemd, want we hebben net een college van neuroloog Schaik gehad.

“BPPD” wordt geroepen van achter uit de zaal.

Ja, benigne paroxismale positie duizeligheid, waarbij een losgeraakt kristalletje in het evenwichtsorgaan de patient letterlijk doet duizelen.

“Neuritis vestibularis”

Ja, dat kan, dan is de zenuw naar het evenwichtsorgaan ontstoken

“Brughoektumor”

Ja, kan ook, dan zou het gehoor mee doen he.
“Heeft u verandering in uw gehoor bemerkt?”
Nee, de patient blijkt geen gehoorverlies, oorsuizen of een piep te ervaren

“Meniere” Een ziekte waarbij de vloeistof uit het evenwichtsorgaan lekt.

Dokter Wiersinga schrijft alle suggesties op en legt een klein beetje uit hoe we ze kunnen bevestigen dan wel kunnen uitsluiten.

Linthorst: “OK, well done, en de neusbloeding?”

“Plexus Kiesselbachie” zegt iemand voor in de zaal.

Michielse: “Ja, op dat plekje in de neus zitten heel veel bloedvaatjes die snel kunnen gaan bloeden. Maar de vraag is een beetje, waarom nu ineens zo heftig als de patient hier nooit eerder last van heeft gehad?”

“Stolling” roep ik. Als er geen trauma is – trauma wordt in de medische wereld gebruikt om een fysieke beschadiging aan te geven – en de patient geen hoge bloeddruk heeft, dan kan er iets mis zijn met zijn stolling.

Wiersinga: “Ja, daar moet je altijd aan denken, wat gaan we in het bloed onderzoeken dan?”

Mijn ervaring bij bloedprikken komt hier goed van pas. Hoe vaak ik die niet heb mogen prikken…

“INR, aPPT, PT, fibrinogeen en misschien wat stollingsfactoren”

Linthorst: “Ja, daar zouden we mee kunnen beginnen. Er zijn nog meer waarden die ik wil weten, daar hebben we het later nog even over”

Ik word wakker uit mijn dagdroom en spreek verder met mijn buurman.

“Wat gaat de huisarts doen?”
“Hij heeft me doorverwezen naar KNO vanwege de neusbloedingen”
“Gaat hij stolling prikken?”
“Nee, hij wil eerst de mening van de KNO arts”
“OK, zou je hem willen vragen of hij je stolling wil prikken? Zo’n spontane acute neusbloeding is niet per definitie iets voor KNO, meer voor interne”

De huisarts doet het niet, hij wacht eerst het consult van de KNO arts af. Over twee weken… Ik vind het frustrerend dat ik niks kan doen. Natuurlijk moet je de stolling prikken als iemand zonder aanleiding ineens gaat bloeden.

De KNO arts kan niks vinden, evenals de cardioloog waar mijn buurman vervolgens naar verwezen wordt. De stolling is nog steeds niet geprikt en we zijn inmiddels een maand verder.
Na nog drie weken krijg ik een telefoontje van een andere buur… “Hij is opgenomen in het ziekenhuis”.
Ik stap in mijn auto en rij er naar toe.
“Wat is er gebeurd joh?”
“Ja, nou, de KNO arts en de cardioloog konden niets vinden en toen heeft de huisarts de stolling laten prikken waar jij het over had en toen de uitslag er was werd ik door interne geneeskunde gebeld dat ik meteen naar het ziekenhuis moest komen”

“En nu?”
“Die afwijkende stolling heeft met m’n lever te maken, dus ze hebben een leverbiopt genomen en een ontsteking gezien, ze dachten eerst aan alcoholisme, maar ik drink bijna geen alcohol”
“Ja, ja, en waarom val je dan steeds van je fiets he?”
We kunnen er hartelijk om lachen. Dat hij geen alcoholist is had ik ze ook wel kunnen vertellen
“Dus ik heb hepatitis, ze noemen het autoimmuun hepatitis”

Ow shit… Nu voel ik mezelf een beetje wit wegtrekken.

“Heeft de internist -niet in het AMC red.- gezegd wat de oorzaak is van die autoimmuun hepatitis?”
“Ik heb het gevraagd en zijn antwoord was ‘dat is de million dollar question, we weten het niet'”
“Heb je hem verteld dat je drie van die mRNA prikken hebt gehad?”
“Nee, maar denk je dat dat er mee te maken kan hebben dan? Dat is al zo lang geleden”

“Ja, dat denk ik wel, die lipid nano particles veroorzaken autoimmuun reacties op elke plek waar ze terecht komen. Zo zijn ze ontworpen, ze laten je lichaamseigen cellen lichaamsvreemde eiwitten maken en het immuunsysteem reageert daarop met een autoimmuunreactie. De cellen die lichaamsvreemde eiwitten maken worden opgeruimd door je eigen immuunsysteem. Als dat spul is gaan stapelen in je lever, dan heeft dat je autoimmuunhepatitis veroorzaakt.”

Hij zou het bespreken met de arts.

Een week later is hij weer thuis. Hij ziet er niet lekker uit. Z’n huid is een beetje gelig en hij kijkt niet lekker uit z’n ogen.

“Hebben je artsen een beleid gemaakt voor je? Krijg je medicijnen?”
“Ja, ik heb een paar honderd pillen prednison meegekregen om de hepatitis te behandelen”
“Hm…”
“Heb je besproken dat het door die mRNA prikken komt?”
“Mijn huisarts wilde dat niet”

“Als je nu prednison gaat slikken, dan onderdruk je je immuunsysteem. Dan rem je de ontstekingsreactie in je lever wel, maar dan kunnen je levercellen ongeremd spike-eiwit maken en dat gaat op je RAAS systeem werken omdat die eiwitten op je ACE receptoren aanhaken. Dan krijg je problemen met je bloeddrukregulatie, dat is nu waarschijnlijk ook al aan de gang gezien je duizelingen… Ze moeten onderzoeken of je spike eiwitten in je bloed hebt. Als ze er niet aan willen dat het door die injecties komt, dan mogen ze het van mij “long covid” noemen, maar ze moeten het onderzoeken hoor. Zou je met je artsen willen overleggen of ze niet beter iets kunnen geven tegen de spike proteinen, iets van monoclonale antibodies ofzo? Daar moet de internist raad mee weten”…
“OK, ik zal het voorleggen”

Een week later hoor ik dat zowel huisarts als internist het niet wil onderzoeken en de prednisonkuur door gaat. Dit gaat niet goed.

Ik hoor een tijdje niets… Tot ik een telefoontje krijg van een andere buur die mij eigenlijk nooit belt. Ik ga maar even zitten…

De stem aan de andere kant van de lijn zegt: “Hij is gevonden in zijn keuken”. De doodsoorzaak is nog niet bekend…

“Bij mij wel…” hoor ik mezelf zeggen.

Rust zacht lieve Ger, ik ga je missen.

De Prik

Omdat ik nogal veel mensen tegen kom die niet weten hoe de op dit moment uitgedeelde injecties werken, maar het toch in hun lichaam laten spuiten, leg ik het even uit.

Eerst hoe het niet werkt. Het werkt niet als een traditioneel vaccin zoals het pokkenvaccin. Een traditioneel vaccin werkt als volgt. Je spuit iemand een onschadelijk gemaakte ziekteverwekker in of een deel daar van, zodanig dat je immuunsysteem wel de ziekteverwekker leert herkennen, maar niet zodanig dat je er ziek van wordt. Dat is de traditionele definitie van een vaccin.

Maar hoe werkt het dan wel. Het Pfizer ‘vaccin’ bestaat uit een groot aantal vetbolletjes in een vloeistof. Deze vetbolletjes bevatten RNA. RNA is datgene wat menselijke cellen gebruiken om eiwitten te maken. Er zit in de injecties geen onschadelijk gemaakte ziekteverwekker. Wat er in zit is de beschrijving van een klein deeltje van de ziekteverwekker. Op het moment dat zo’n vetbolletje in contact komt met een cel in je lichaam, dan versmelt het daarmee en komt het RNA uit het vetbolletje in je lichaamscel terecht. Deze lichaamscel gaat vervolgens met behulp van het ingebrachte RNA de eiwitten maken zoals die in het coronavirus zitten. Deze eiwitten worden aan de buitenkant van de lichaamscel gepresenteerd opdat ons immuunsysteem het herkent als lichaamsvreemd en op kan ruimen. Het immuunsysteem zal dan de hele cel waarop dit eiwit gepresenteerd wordt vernietigen. Dit heet een autoimmuunreactie. Je eigen immuunsysteem ruimt lichaamseigen cellen op.

Het probleem nu is, dat direct of indirect de bolletjes in de bloedbaan terecht komen en dus overal in het lichaam naast alle mogelijke cellen terecht kunnen komen. Dat kan gebeuren als per ongeluk in een bloedvat gespoten wordt, maar ook als dat niet gebeurt zullen de vetbolletjes door het lymfesysteem uiteindelijke via de ductus thoracicus in de bloedbaan terecht komen. Voor cellen in de darmwand is dat niet zo erg, die maakt het lichaam opnieuw aan. Voor cellen in de lever is het ook niet erg, want die maakt het lichaam opnieuw aan. Wat wel een probleem is, is als de bolletjes naast cellen komen te liggen die het lichaam niet kan vernieuwen. Dan worden deze cellen door het immuunsysteem opgeruimd en zullen niet meer vernieuwd worden. Die cellen ben je dus voorgoed kwijt. Voorbeelden van cellen die niet geregenereerd kunnen worden zijn hartspiercellen, zenuwcellen en eicellen.

Helaas wordt dit verhaal niet verteld op het moment dat mensen hun injectie gaan halen. De reden, in een interview gegeven door Professor Bloemschoen: Dan zou dat de vaccinatiebereidheid verkleinen.

Er zitten miljarden vetbolletjes in een prik. Trek je eigen conclusie.

Bronnen:
RIVM: https://www.youtube.com/watch?v=vsy5DSMHA5Y
Erasmus MC: https://www.youtube.com/watch?v=mooLTE5MvVs
Over de ductus thoracicus: https://nl.wikipedia.org/wiki/Ductus_thoracicus
Informatie over het ‘vaccin’: https://www.medicines.org.uk/emc/product/12740/

Auto

Leuk om weer eens een oude bekende tegen te komen, maar soms zijn de gesprekken wat ongemakkelijk…

“Ah Dave, hoe gaat het, wil je mijn tweedehands auto hebben?”

“O ja, ziet er goed uit, zit mooi in de lak, bandjes opgepompt, netjes gepoetst, wat wil je er voor hebben?”

“Niks, je mag hem zo meenemen.”

“Wat? Hoe dan, zitten er geen remmen op ofzo  ha ha ha.”

“Weet ik niet.”

“Wat weet je niet?”

“Of er remmen op zitten.”

“Heb je dat niet getest dan?”

“Nee, maar hij is gratis en degene van wie ik hem kocht zei dat de remmen goed zijn.”

“Is diegene automonteur dan?”

“Nee, verkoper voor een groot bedrijf.”

“Maar kan je hem niet teruggeven aan de verkoper dan?”

“Nee, ik had het contract niet goed gelezen en daar bleek in te staan dat ik onder geen enkele voorwaarde dat ding terug kan geven en nu betaal ik er wegenbelasting en zo over, dus zolang ik hem niet weg doe kost ie geld.”

“Ow…..”

“Ehm… Heb je enige garantie dat ie veilig is?”

“Nee, daarom is ie gratis…”

“Ja, maar ik wil niet als ik over een maand de A9 op rij dat m’n stuur afbreekt, zit die wel goed vast?”

“Nu wel, ik heb er net nog aan gedraaid, maar of ie over een maand breekt weet ik niet.”

“En is het brandstofsysteem getest op lekkage? Ik wil niet dat ie in de brand vliegt onderweg.”

“Nou, nee, maar hij staat nu niet in brand en alle vorige auto’s die ik verkocht heb zijn ook niet in de brand gevlogen.”

“OK, maar wat heeft dat met deze auto te maken dan?”

“Nou, dat waren ook auto’s.”

“Joh…. Heej… weet je wat, als je hem nou even goed laat nakijken bij je garage en hij is goed bevonden, dan betaal ik je gewoon een eerlijke prijs, wat vind je daar van?”

“Nee, dat kan niet, want mijn garage is gestopt met keuren van auto’s, er kwamen te veel gevaarlijke gebreken naar voren en als dat bekend wordt, dan koopt niemand meer een auto bij ze natuurlijk en dat kunnen we niet hebben.”

“Ja, ja.”

“En eh… wil je er zelf niet in rijden dan?”

“Nee joh, veel te gevaarlijk, maar tegen anderen zeg ik wel dat ik er in gereden heb hoor hi hi, anders raak ik dat ding nooit kwijt natuurlijk.”

“Joh… Heej…”

“Nou, ik denk er nog even over, maar leuk je weer te zien. Ciao!”

Vitamine K

De kranten staan bol van koppen die beginnen met “Onderzoek toont aan dat”, “Verband tussen A en B bewezen”, “A kan B veroorzaken.” En helaas zullen de meeste mensen alleen de kop lezen. Begrijpelijk, want als er dagelijks tientallen artikelen voorbij komen is het niet meer mogelijk om overal in te duiken. Maar dat doe ik dan toch maar even.

“Extra vitamine K kan ernstig ziekbed door coronavirus voorkomen” staat er.

en drie zinnen verder

“Volgens de onderzoekers zou een hoog vitamine K gehalte dus kunnen voorkomen dat je ernstig ziek wordt door het coronavirus”

Nee dus.

Beide zinnen zijn feitelijk onjuist. Of ze hebben het artikel (link) niet gelezen, of ze trekken bewust verkeerde conclusies om aandacht te trekken voor hun website. Het eerste is erg slordig, het tweede is bewust mensen misleiden.

De kern van dit soort misleiding is meestal het onbegrip van het verschil tussen de termen “correlatie” en “causaal verband.” Een correlatie betekent dat twee dingen vaak samen gezien worden. In dit geval covid met een laag vitamine K. Een causaal verband is als het lage vitamine K door de covid veroorzaakt is – of andersom. Dat is een groot verschil.

Als je ziet dat mensen die heel goed kunnen voetballen op televisie vaak een oranje t-shirt dragen, dan is dat een correlatie. Denk namelijk niet dat als je een oranje t-shirt aantrekt je ineens goed kunt voetballen.

Het onderzoek zelf is heel netjes geschreven. De conclusie is ook heel duidelijk, namelijk dat er over het algemeen (“statistisch significant meer” in wetenschappelijk taalgebruik) een laag vitamine K gezien wordt bij covid patienten. Dat is dus een correlatie. De conclusie dat extra vitamine K dan een ernstig ziekbed kan voorkomen is volkomen onjuist. Sterker nog, het omgekeerde kan gelden. En de onderzoekers schrijven dit ook letterlijk in het artikel.

Stel… je zit in de auto. Je ziet dat de benzine bijna op is en je hoort een raar geluid. Je zet de auto langs de kant van de weg, stapt uit en tot je grote schrik vliegt de auto in brand. Denk je dan “O, mijn benzine was bijna op en nu staat mijn auto in brand, dus ik moet er snel meer benzine in doen”? Nee, natuurlijkt niet. Maar dat is wel wat hier gebeurt. Het lage benzinepeil was niet de reden dat de auto in de brand stond, maar het gebeurde wel gelijk. Er was een correlatie, maar geen causaal verband.

Een meer medisch voorbeeld. Onze schilklier maakt het schildklierhormoon aan dat, heel kort door de bocht, bepaalt hoeveel energie je hebt. Als de hoeveelheid schildklierhormoon beneden een gewenst niveau daalt, dan maakt de hypofyse het stofje TSH aan dat er voor zorgt dat de schildklier meer schildklierhormoon gaat maken. Andersom geldt ook dat als er te veel schildklierhormoon in het bloed zit, wat je bijvoorbeeld ziet bij de ziekte van Graves, de hypofyse minder TSH aanmaakt om de schildklier wat af te remmen in het aanmaken van schildklierhormoon . Als iemand heel gejaagd is en bij de dokter komt dan zal deze het TSH meten in het bloed. Deze kan dan laag zijn omdat de hypofyse al door had dat er te veel schildklierhormoon aanwezig was. Gaat de dokter dan TSH toedienen omdat het laag is? Nee. Zelfde principe als bij die brandende auto. Het lage TSH is er juist voor om de schildklier te remmen, als je dan TSH gaat toevoegen wordt de kwaal alleen maar erger.

Terug naar het covid en vitamine K verhaal. Als het lage vitamine K een reactie van het lichaam is op het covid virus dat (bij wijze van spreken) vitamine K nodig heeft om zichzelf te vermenigvuldigen kan het toedienen van extra vitamine K dus funest zijn. Het kan net zo goed zijn dat minder vitamine K het ziektebeeld beter kan maken. Dus ga nou niet gelijk naar www.vetduresupplementendienietwerken.nl, want het kan meer kwaad dan goed doen.

Wat de onderzoekers hebben aangetoond is dat er een correlatie is tussen het hebben van covid en een laag vitamine K in het bloed. Ze zeggen zelfs heel netjes in de discussie dat het causale verband niet is aangetoond en dat je niet moet denken dat vitamine K innemen dus goed is tegen covid. Erg sneu dat hun mooie werk door zo’n krantje uit z’n verband getrokken wordt.

De moraal is wel een beetje: “Trek geen conclusies uit de misleidende media als het gaat om medische onderwerpen.” Lees zelf even een paar links verder als het je interesseert. En als je dan nog steeds denkt dat je iets moet innemen of juist niet, overleg dat dan even met je huisarts. Die heeft namelijk heel lang op geneeskunde gezeten.

Politiek

Het had mijn opa kunnen zijn. Een gezellige Amsterdamse levensgenieter. Af en toe een beetje mopperen, maar over het algemeen goed geluimd en vol met mooie verhalen. Zelfs zo veel verhalen dat het soms een beetje moeilijk is om hem te onderbreken omdat er nog zo veel meer te doen valt op de afdeling.

We willen hem het liefst naar huis sturen en als we het hem vragen krijgen we als antwoord “Liever gisteren dan vandaag, ik verveel me hier kapot.” Met vervolgens een prachtige opsomming van alle plannen die hij had voordat hij noodgewongen werd opgenomen omdat z’n hartje even niet meer mee wilde werken.

Het probleem is dat mijnheer niet zo heel goed meer ziet, maar wel dagelijks zijn injecties moet krijgen. Dat probleem zou prima ondervangen kunnen worden als er twee keer per dag iemand van de thuiszorg een half uurtje langs zou kunnen komen. Maar dat krijgen we niet geregeld. Mijn arts heeft inmiddels al twee uren specialistentarief verbruikt met bellen, overleggen en regelen. De verpleegkundigen hebben hun handen vol aan mijnheer die in zijn eigen woorden ‘gewoon pleite wil’ en er zijn inmiddels al twee ‘consulten’ van andere afdelingen geweest omdat ‘die ouwe’, zoals hij liefkozend door zijn zoon genoemd wordt, allerlei andere kwaaltjes heeft. Met een klein beetje rekenen komt dat al gauw op 1400 euro per dag dat er aan de opname van deze aardige kerel verstookt wordt. Terwijl twee keer een half uurtje thuiszorg te doen moet zijn voor honderd euro. Studenten die in de thuiszorg werken zijn blij met 20 euro per uur en kunnen die injecties prima geven en hebben dan ook nog even tijd om een stofzuiger door het huis te halen. Twee keer een half uur is dan 20 euro, als we het afronden op 100 met overhead er bij kan de student nog met de greenwheels ook.

De doorgewinterde cardioloog haalt zijn schouders op en zegt “Dat is een politieke kwestie, we zouden het graag anders zien, maar er wordt geen geld uitgetrokken voor de thuiszorg en daardoor worden de dagelijkse kosten heel veel hoger dan nodig is.”

Als ik het overleg met mijn mede co’s krijg ik als antwoord “Ja, onze halve afdeling ligt er vol mee”. Laatst moest iemand een weekend in het ziekenhuis blijven omdat we geen rollator geregeld kregen. Dat is dus een rollator van bijna drie duizend euro. Voor dat geld kan je er een paar knappe lichtmetalen sportvelgen onder zetten. Het is dus niet 1 patient, het zijn er waarschijnlijk tientallen verdeeld over het enorme ziekenhuis. Dat kost duizenden euro’s *per dag extra* omdat de regering er voor kiest om het niet op te lossen. Wel schermen dat de zorgkosten de pan uit rijzen, maar een eenvoudige oplossing die voor hun neus ligt niet aangrijpen. Als je er van uit gaat dat het geen onwil is om te bezuinigen en tegelijkertijd de zorg te verbeteren, dan kan het alleen maar onwetendheid zijn. Mooie gelegenheid voor Dave om een briefje te sturen naar een aantal politieke partijen met dit verhaal. Kijken wat er gebeurt. Degene die het als eerste in het parlement naar voren haalt krijgt mijn stem bij de volgende verkiezingen.

Onze vriendelijke Amsterdammer vond het trouwens ook maar onzin en had het idee dat ie het prima zelf kon. Vlak voor het weekend werd ons een vastbesloten “Ik peer hem” medegedeeld. En als een Amsterdammer dat zegt, dan gaat ie ook pleite. Helaas werden we een paar dagen later gebeld door de spoedeisende eerste hulp dat hij toch weer binnen was gebracht met de ambulance. Nog een keer 800 euro overbodig geld weggesmeten en een ambulance van ander werk afgehouden. Als die thuiszorg nou eens wat beter geregeld zou worden. Zo moelijk kan dat toch niet zijn?

Dood

Natuurlijk is de eerste taak van artsen om je beter te maken. Maar wat als ze dat niet meer kunnen? Kunnen ze je dan ook helpen met dood gaan? Ze blijken meer manus van alles dan je in eerste instantie zou denken. Dokters weten precies hoe ze je moeten laten hemelen en ze kunnen het soms zo brengen dat je er een klein beetje naar gaat verlangen.

Twee weken voor onze ‘grote co-schappen’ beginnen hebben we de ‘pre-IHK’. ‘IHK’ staat voor Interne geneeskunde, Heelkunde en Kindergeneeskunde. Interne geneeskunde is zo’n beetje alles wat in je buik zit, maar ook longen en cardiologie horen er bij. Heelkunde is een ander woord voor chirurgie en kindergeneeskunde gaat over zieke mensen die nog geen 18 zijn, maar desondanks wel al ziek mogen worden.

We krijgen een flink scala aan onderwerpen over ons heen. De ene wat meer toepasselijk voor onze co-schappen dan de andere, maar er blijkt een voorkeur voor de ouderengeneeskunde en daarmee samenhangend de ‘geneeskunde’ van het dood gaan, waarbij we worden doodgegooid met verhalen over palliatieve zorg en euthenasie. Geen levendig onderwerp.

Slechte woordgrapjes daargelaten vragen we ons wel een klein beetje af hoe het onderwijs wordt samengesteld. Op een enkeling na zijn alle docenten bevlogen en geven ons inspirerende colleges. De briljante ECG les van een enthousiaste cardioloog die erg z’n best doet om zich aan te sluiten bij onze belevingswereld waarin hij een tachycardie (hoge hartslag) uitlegt met “Ja, maar het is wel fokking snel he….” was een verademing. In dat uur meer geleerd dan eindeloos gepraat over welke medicijnen gegeven worden bij het levenseinde, die we gewoon kunnen opzoeken. “Als het je overkomt: www.pallialine.nl”…. Volgende onderwerp.

Heldere uitleg over polyfarmacie bij ouderen van geriaters (ouderen geneeskundigen). Ook de geriaters zelf zijn niet wat je verwacht… Zonder uitzondering energiek, spontaan, vrolijk en supersympathiek. Zij doen de betablokkers hun naam eer aan. Dikke pret. Doe mij er maar zo eentje als ik aan de metaprolol moet.

De samenhang tussen de colleges is wat minder duidelijk en de docenten zelf zijn niet goed op de hoogte gebracht van onze voorkennis en wat we reeds geleerd hebben in voorgaande colleges. Als iemand aan je vraagt “Weten jullie wat antibiotica is?” terwijl je drie jaar daarvoor zo ongeveer elke dag de term gehoord hebt en verreweg de meeste kunt opnoemen inclusief hun toepassing en bijwerkingen, moet toch even verteld worden welk publiek ze voor zich krijgen als ze gaan presenteren. Overigens wel een briljant antwoord uit onze groep: “Het is wel eens voorbij gekomen.”

Een ander dingetje is dat het onderwijs verplicht is en strikt wordt bijgehouden met een aftekenlijst. Wee je gebeente als je niet komt opdagen…

We zijn geneeskunde studenten die heel erg veel moeite hebben moeten doen om de studie in te komen. We hebben drie jaar lang colleges, discussiegroepen, presentaties, snijzaalpractica, nachtdiensten, tentamens, verpleeghulpstages, junior co-schappen, gespreksimulaties, persoonlijk gedrag essays, lichamelijk onderzoek toetsen en nog veel meer doorstaan. We weten inmiddels echt wel wat we nodig hebben en wat niet. Het is officieel nog steeds een academische studie en geen HBO opleiding met een iets te ruim bemeten ego. Geef ons de gelegenheid om zelf te kiezen welke lessen voor ons van belang zijn. Dat we het willen en kunnen hebben we al bewezen. Over een jaartje of twee zijn we arts met de verantwoordelijkheid over leven en dood van onze patienten. En die verantwoordelijkheid creeer je alleen door het tijdens de studie al aan ons te geven. En hoewel de meeste colleges heel goed zijn zou het geen slecht idee zijn voor de opleidingscommissie om de colleges te laten opnemen [filmen, niet in een ziekenhuisbed leggen red.] en even terug te kijken, want er zitten ook colleges tussen die gewoon echt niet kunnen.

Los van de kritische noot, respect voor de geweldige docenten die ons hun tijd gunnen om ons betere dokters te maken. Respect voor de orthopediste die ons tot op de laatste minuut met eindeloos geduld uitlegt hoe je een knie onderzoekt terwijl ze 10 minuten later op OK moet staan om een heup te vervangen. Respect voor de geriaters die elke dag te maken hebben met zieke ouderen, maar toch de tijd vinden om ons met veel geduld uit te leggen dat we rekening moeten houden met de bijwerkingen van de vele medicijnen die oudere patienten krijgen. Respect voor de interniste die vertelt hoe ze met gevaar voor eigen leven leerde hoe je moet omgaan met geweld in de kliniek. Respect voor de huisartsen die even uit hun drukke praktijk komen om ons te laten zien en voelen hoe het er nou ‘in de echte wereld’ aan toe gaat. Respect voor de topinternist die de meest bizarre en zeldzame ziektes kan diagnosticeren en toch de tijd neemt om nog een keer uit te leggen hoe we een bloeddrukje moeten meten. En ook veel respect voor de acteurs die ons iedere keer weer kunnen laten voelen hoe we persoonlijk met onze patienten kunnen omgaan. Dank jullie wel.

Sfeer

Wat een verademing dat co-schap KNO. En wat een verschil in cultuur tussen twee vakgroepen die niet alleen fysiek, maar ook vakinhoudelijk, zo dicht bij elkaar liggen. Denk je bij oogheelkunde ‘hoe kan ik mij zo onopvallend mogelijk opstellen zodat ik niet in de weg loop’, zo word je bij kno begroet met ‘O, loop je met mij mee vandaag. Wat leuk! we gaan er een mooi spreekuur van maken samen.’ Dat is een kleine moeite, zo’n zinnetje uitspreken, maar je hebt gelijk zin in het spreekuur, je hebt het gevoel dat je iets toevoegt en je kijkt aan het eind van de dag al weer uit naar de volgende om nog een dag met zo’n professionele neuspeuteraar mee te lopen.

Het mooie is ook dat een ‘vrije’ sfeer dus niet hoeft te leiden tot iets dat minder goed georganiseerd is. In tegendeel. Als er tijdens de overdracht gevallen boven tafel komen waarbij de behandeling of de diagnose niet scherp genoeg is uitgewerkt, dan wordt heel duidelijk en concreet gemaakt wat er niet goed gaat en hoe het beter moet de volgende keer. Maar dan wel op een constructieve manier waarbij expliciet wordt aangegeven dat het geen opmerking is die op de persoon gericht is, maar een opmerking om er voor te zorgen dat de zorg nog beter wordt dan hij al is en tegelijk een positief leermoment.

Een ‘far cry’ van voorbeelden die we op een andere afdeling hebben gezien waarbij iemand die iets verkeerds zegt wordt afgesnauwd door een kip die toevallig hoger in de pikorde staat. Dat werkt contraproductief, want het enige wat je daar mee bereikt is dat iemand met een goed idee de volgende keer z’n mond houdt. Wel mooi om te zien dat de specialisten van KNO de organen waar ze zich mee bezig houden zelf ook erg efficient (en graag) blijken te gebruiken en ze goed in dezelfde richting krijgen.

Vandaag loop ik mee met een zeer ervaren arts die ‘vooral neuzen doet’, waaronder neuscorrecties. Omdat het een academisch ziekenhuis is gaat het hier om neuzen met functionele problemen. Geen cosmetische operaties. Buiten het feit dat de verzekeraars cosmetische operaties niet vergoeden is het ook niet ethisch om aan een lichaam te sleutelen dat goed functioneert. Neuzen die zo afwijkend zijn dat mensen er psychisch onder lijden is de enige uitzondering. Dan zou je kunnen zeggen dat de patient wel ziek is ‘door de neus’ maar niet ‘aan de neus.’

De eerste patiente die we zien heeft een correctie gehad omdat zij niet goed kon ademen en regelmatig last had van verstopte neuzen door de anatomische afwijking. Als we haar ophalen uit de wachtkamer is op 10 meter afstand al te zien dat de operatie bijzonder goed gelukt is. Stralend komt ze op de arts aflopen. “Die is tevreden” fluistert hij mij zachtjes toe.

Het ziet er inderdaad prachtig uit. Ik denk voornamelijk ‘Hoe dan?.’ Er is bot weggehaald, kraakbeen, de huid is los geweest en het enige wat ik zie is een mooie neus. Geen litteken, perfecte symmetrie en de grootte is perfect in verhouding met de rest van het gezicht….

Hoe dan…..

De patiente zelf zegt “Ja, ik ben heel tevreden, maar ik voel wel een klein richeltje hier.”

Als ik heel goed kijk zie ik inderdaad dat op de ene kant van haar neusrug een hele kleine verhoging te zien is van ongeveer een halve millimeter. Ik voel aan mijn eigen neus en voor het eerst van mijn leven voel ik ook wel wat verschil tussen links en rechts, maar ik ben daar verder dus nooit voor bij een psycholoog geweest of zo.

De chirurg verwoordt het heel subtiel met “Ja, ik zie wat je bedoelt, maar als je 9 willekeurige mensen naast jou zet, dan heb je nog steeds de allermooiste neus van de 10.” Ze lacht oprecht en je ziet dat ze trots is op het resultaat.

“Het is nu drie maanden geleden dat we geopereerd hebben, het duurt echt nog wel een jaar voordat alles tot rust is gekomen en we kunnen oordelen over het eindresultaat.”

“Ja, ik ben ook heel blij hoor met het resultaat, maar ik voel dus wel een richeltje”

“Ja, ik begrijp wat je bedoelt en ik voel het ook. Maar de operatie is echt perfect gelukt en ik ben heel blij met het resultaat”

“Ja, ik ben er ook superblij mee”

“Weet je wat we afspreken… Alles groeit nog een beetje door en alles kan nog iets groter of kleiner worden… als we nou afspreken dat we elkaar over 3 maanden nog een keer zien, dan mag je nu even foto’s laten maken en kunnen we kijken hoe het in de tijd verandert. Als…. ALS…. we besluiten dat we gaan opereren, dan is het wel de laatste keer dat ik aan je mooie neus zit, want er is altijd een risico dat het minder mooi wordt en we willen niet dat je na de derde operatie zegt ‘Nou, eigenlijk vond ik het voor de operatie mooier'”

De patiente knikt vol begrip en verlaat met een brede glimlach, zichtbaar trots op haar nieuwe neus, de spreekkamer.

Ik krijg een mooie uitleg over hoe sommige patienten een neuscorrectie kunnen ervaren. Soms namelijk, is de neus die de patient als ‘minder mooi’ ervaart niet de kern van het probleem, maar zit de patient iets anders dwars dat op de neus geprojecteerd wordt. Dan komt de patient na de eerste operatie terug en vraagt of er nog een operatie gedaan kan worden om het linker neusvleugeltje nog een millimetertje op te tillen zodat het precies recht staat. Na de tweede operatie komt de patient terug om de minimale afwijking van de neusrug weg te krabbelen. En dan is het einde zoek, want als de neus het eigenlijke probleem niet is, dan kan je het ook niet oplossen door maar aan de neus te blijven sleutelen. ‘Mijn’ arts vat het in een briljante zin samen: “Dan krijg je 1,2,3, Michael Jackson” en ga je door tot er alleen nog maar een gat zit. Dus als iemand voor een heroperatie komt, dan spreek ik van te voren af dat ik het wil doen, maar dat dat dan ook definitief de laatste keer is dat ik aan die neus ga zitten.

Mooi gezegd.

De conclusie van vandaag is voor mij wel dat ze kleine wondertjes kunnen verrichten bij KNO. Maar ook dat het prima de KNOP afdeling zou mogen heten gezien de psychologie die er bij komt kijken als je sleutelt aan de organen die het belangrijkst zijn voor onze waarneming en uiterlijk. Leuk co-schap dit. Kan het iedere co-assistent aanraden.

Oor

“Wie wil er een keertje meelopen in het AvL” vraagt de vriendelijke co-assistenten coordinator van KNO aan ons. Eigenlijk was ik wel blij met een keer een co-schapje in het AMC en niet in een perifeer ziekenhuis, want mijn bescheiden ervaring leert dat het perifeer soms een beetje erg om het ‘produktie draaien’ gaat en er minder tijd is om de theoretische kennis die we nodig hebben voor de toets aan het einde van het co-schap voor te bereiden. Aan de andere kant heb ik alleen maar mooie verhalen gehoord over het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis van andere studenten en na de opmerking “Dit is best wel een buitenkansje” zeg ik “Ja.” Alleen kom ik er wel vrij snel achter dat ik niet weet waarop ik “Ja” gezegd heb.

Het is dag 1 en gelukkig is een van mijn fijne mede-co’s Floris mee die het AvL een klein beetje kent. Grote gebouwen waar alles op elkaar lijkt en mijn richtingsgevoel zijn geen vriendjes en hoewel je er met vragen altijd komt is het best fijn om ‘s ochtends om half 8 niet te hoeven zoeken naar de balie waar je een pasje moet ophalen, de linnenvoorziening, het secretariaat of de balie van het OK complex. Binnen 20 minuten is alles geregeld, inclusief een introductie van een vlotte OK verpleegkundige en staan we klaar in ons blauwe OK pakje. Ik kijk in de spiegel en zie een soort blauwe teletubbie met een groen mutsje, want er was alleen nog maar XL. Floris ziet er uit alsof hij er al jaren werkt. Hij heeft de mazzel dat hij de lengte heeft die bij XL past. Maar wat maakt het uit, iedereen heeft hetzelfde blauwe pakje aan en kennelijk had Armani een dagje vrij toen ze werden ontworpen.

Na een supersnelle rondleiding die een beetje is samen te vatten met “Nou, in het oude deel moet je via de kleine deur naar binnen en dan op de grijze knop drukken, of de zwarte, maar dan gaat ie helemaal open, maar als het niet kan mag je ook door de grote deur, maar liever niet, en in het nieuwe deel is het anders, want daar werken de sluizen anders en ga je in principe door de grote deur, behalve als er een bed staat of de patient al aanwezig is, want dan staat het vol en moet je toch via de andere deur.”…..

Ja ja. We knikken instemmend. Zal we loslopen.

We krijgen nog een spoedcursus professioneel handen wassen en worden meegenomen naar een OK. We worden geintroduceerd en de grootste man in de kamer, die later de chirurg blijkt, heet ons welkom met “Ja, niet meer dan een, laat die andere maar naar Rene gaan op 12.”

Floris mag naar Rene.

Er ligt al een grote man ‘op tafel’ en de anesthesiste roept vrij hard ” U moet goed ademen mijnheer! Even flink inademen, zo diep als u kunt!”. Verpleegkundigen pakken groene pakjes uit op RVS tafels en de chirurg bladert door een CT scan heen. Ikzelf ben voornamelijk heel druk met niet in de weg proberen te staan. “Schrijf je naam effe op, dan weten we wie je bent.” Dat doe ik braaf. Omdat ik er natuurlijk in de eerste plaats ben om te leren loop ik naar de chirurg terwijl ik mijn knalgroene klompen goed in de gaten hou om niet per ongeluk ergens achter te blijven haken. Nog voordat ik iets kan vragen vertelt hij “Ja, dit is alleen maar een bioptje hoor, we hebben een carcinoompje op de stemband” terwijl hij heel rap door de MRI opnamen heen scrollt. Tot mijn lichte verbazing herken ik de stembanden en zie de afwijking. Het ijs is een beetje gebroken en de chirurg blijkt minder stug dan hij in eerste instantie overkwam. Ondertussen stellen wat mensen, die er met hun kleding en mondkapje allemaal hetzelfde uitzien, zich aan mij voor en ik begin me zowaar een beetje op m’n plek te voelen.

“Nou mijnheer is weg hoor, u kunt beginnen.” De chirurg gaat bij het hoofd van de patient zitten en duwt een enorm stuk metaal z’n keel in. “Hier, kijk maar even mee.” Ik buig naar voren en zie inderdaad twee stembanden waarvan er eentje een zwart putje op zich heeft. In rap tempo worden er kleine stukjes weefsel uit de ‘keel van mijnheer’ geknipt en binnen een half uurtje wordt het commando “Maak hem maar weer wakker hoor” gegeven.

Terwijl de chirurg een verslagje schrijft prop ik er gauw een klein vraagje tussendoor. “Als het nou een carcinoom is, moet zijn stemband dan verwijderd worden?”

“Nee hoor, die gaan we bestralen.” is zijn antwoord. Ik ben blij voor ‘mijnheer’, want zonder stemband kan je gewoon echt niks meer zeggen.

“Zo, drink eerst maar even wat en als je nog naar het toilet moet, dan moet je het nu doen, want de volgende gaat effe duren.” “Effe” blijkt een tamelijk relatief begrip en is op OK het beste te interpreteren als “minstens drie uur”. “Kom, we lopen eerst even naar de patient.”

Een aandoenlijke oude dame ligt eenzaam op een grote zaal. Niemand aan haar bed. Niemand die haar hand vasthoudt als troost voor wat komen gaat. Een heel leven al achter zich en nu hier om er voor te zorgen dat haar leven nog even door mag gaan. Als chirurg kan je niet te veel stilstaan bij de emoties van je patient.

“Ze heeft kanker. Als je het niet doet gaat ze dood.”

Nuchtere lui die chirurgen.

Haar rechteroor ziet er niet best uit. Rood, gezwollen en onder de korsten. De chirurg voelt, knijpt en buigt aan het oor en vertelt mevrouw dat “het oor er wel wat anders uit gaat zien na de operatie.” Hetgeen later de understatement van de eeuw blijkt te zijn, want het gaat hier om een complete ooramputatie met gedeeltelijke parotidectomie. Oftewel, het oor ziet er niet anders uit. Het is compleet weg.

Na een broodje en koffie wordt mij op OK gevraagd welke handschoenmaat ik heb. Altijd leuk om een vraag te krijgen waar je het antwoord op weet. “Medium” antwoord ik met enige trots. “Nee, je echte maat, 7, 7 en een half. Of heb je nog nooit steriel gestaan?” Eh… steriel? “Ja, je gaat toch helpen bij de operatie?” Die zag ik even niet aankomen. Ik kan nog maar nauwelijks de tragus en de helix aanwijzen en nu ga ik gelijk al ‘helpen’ iemand oor van het hoofd te halen? En het is nog geeneens 9:00. Dat belooft wat voor de rest van de dag… Ik word uit mijn kleine dagdroom geholpen door de operatieassistente met de woorden “Ja, je hebt 7 en een half, ga je handen maar wassen en doe even een spatbril op tegen de spetters.”

“Spetters… Ja… tuurlijk… geen probleem… ben zo terug….”

Als ik terugkom van handen wassen (inclusief bril tegen de spetters) ligt mevrouw al op tafel met dezelfde anesthesiste die wederom heel duidelijk laat weten aan mevrouw dat ze goed moet inademen. Tijdens de introductie hebben we gelukkig wel geleerd hoe we binnen moeten komen na het handen wassen. Handjes op navelhoogte vlak bij het lichaam, maar niet er tegenaan en de vingers onder een flauwe hoek naar boven. Ik sta er een beetje bij als een beteuterde poppenspeler die Jan Klaassen en Katrijn is vergeten mee te nemen. Na een paar minuten word ik een operatiejasje aangedaan en worden mijn handschoenen aangereikt. “Zo, nu hoor je er bij” wordt mij geruststellend toegefluisterd door een van de gemaskerde verpleegkundigen. “Ga maar tegen het hoofd van de patient staan. Ja prima zo.”

Met zo’n zelfde blauwe stift als waar ze bij dermatologie ‘verdachte’ moedervlekjes mee aftekenen wordt de omtrek van het oor afgetekend en een deel van de kaak. “Dat gaat geen klein gaatje worden” denk ik bij mezelf. “Ja, hier even strak houden Dave…. ja prima zo.” Met z’n ‘diathermie’ – een elektrisch mesje dat snijdt en tegelijkertijd dichtbrandt – wordt uiterst nauwkeurig stukje bij beetje de huid rond het oor losgemaakt. “We moeten heel goed uitkijken dat we de nervus fascialis niet raken he.” vertelt de chirurg, daarom hebben we de NIM.

NIM staat voor “Nerve Integrity Monitor” en bestaat uit electroden die in de spieren worden geprikt die worden aangestuurd door de grote takken van de nervus fascialis. Dat is de zenuw die er voor zorgt dat we onze gezichtsspieren kunnen gebruiken. Als de nervus fascialis per ongeluk ergens doorgenomen wordt dan eindigt de patient met een verlamming van het aangezicht en dat willen we natuurlijk voorkomen. Voor elk van de vier takken van de fascialis geeft het apparaat een andere toon. Als de chirurg de elektroden ter controle aantikt blijkt de orbicularis oculi de grondtoon te zijn en de orbicularis oris, de mentalis en de frontalis achtereenvolgens een grote terts, reine kwint en het octaaf. Handig, dan kan je aan de toon horen welke zenuw je aantikt. Of als je je even verveelt er een liedje op spelen.

Het went snel, ik krijg kattenklauwtjes aangereikt, rvs haakjes waarmee ik stukken van het oor uit de weg mag houden. Er worden blauwe rubberen slangetjes met een klein scherp haakje aan het einde aan de wondranden bevestigd om de boel open te houden. “Blijf maar een beetje uit de buurt van die scherpe haakjes Dave, we noemen ze niet voor niks HIV-haakjes.” Helder. Die gaan door je handschoen heen als je niet uitkijkt.

Ik kijk op de klok en zie dat we twee uur verder zijn. De tijd heeft stilgestaan. Ik dacht dat ik een Pietje precies was, maar dit slaat alles. Millimeter voor millimeter wordt het oor losgeprepareerd. Bij ieder stukje weefsel dat wordt doorgenomen wordt met een elektrode gecontroleerd of er geen takje van de nervus fascialis in zit. Pas als het geruststellende “poe-diep” klinkt gaat het mesje er door.

En dan is het zo ver. Het laatste stukje wordt doorgenomen en de operatieassistente krijgt een oor aangereikt. Ik kijk naar een gapende wond van 20 centimeter doorsnede en hoor in gedachten de chirurg zeggen “Het oor gaat er na de operatie wel wat anders uit zien hoor.” Ja inderdaad. En het zit in een potje en niet meer aan uw hoofd.

“Zo, effe lunchen.”

Ik denk dat hij een grapje maakt, maar hij loopt weg, scheurt z’n operatiekleding van zich af, gooit z’n handschoenen weg en verdwijnt naar buiten. Ik zit op mijn kruk te kijken naar de zijkant van een hoofd waar ooit een oor zat. Slechts de benige gehoorgang is nog over. Stukken schedel liggen bloot en ik zie onder haar huid de carotis kloppen. “Ga je ook even wat eten Dave?” krijg ik te horen. “Ja, is goed, of zal ik dit gapende gat even dichtmaken eerst?” komt in mij op, maar ik hou het op “Goed idee, tot straks”.

Terug op OK staat de chirurg met een soort elektrische kaasschaaf in z’n hand. “We doen een Thiersch plastiek, daarbij wordt een ultradun stukje huid van het bovenbeen afgeschaafd en gebruikt om de wond in het gezicht te dichten.” Mooi ding wel, het maakt inderdaad een flinterdun plakje. Ook een handig apparaatje om carpaccio mee te maken denk ik bij mezelf, maar waarschijnlijk iets buiten het budget van de gemiddelde keuken.

Met bewonderenswaardige handigheid wordt het plakje huid op de wond gehecht en na een paar hechtingen door de chirurg die ik mag afknippen heb ik het ritme “Vier keer knopen en dan een knipje” zo goed door dat we zonder veel te hoeven zeggen ‘samen’ de wond dicht maken. Tussendoor wordt er nog een drain (een plastic slang met allemaal gaatjes er in) onder de bedekkende huidlaag gelegd en als de wond dicht is wordt er een plak schuimrubber op maat geknipt en over de wond vastgehecht omdat de superdunne bedekking natuurlijk enorm kwetsbaar is.

Wat een indrukwekkend schouwspel. Wat een geduld. Wat een precisie.

Waarschijnlijk gaat mevrouw wel even schrikken als het verband er af gaat, maar er blijken prachtige oorprotheses te zijn die nauwelijks van echt te onderscheiden zijn. En ja… als ik moest kiezen tussen een tumor die het uiteindelijk op mijn brein heeft voorzien en een plastic oor. Dan maar een plastic oor.

Neuritis Optica

Samen met haar moeder komt ze binnen. Ze praten met elkaar in, wat ik denk, een Afrikaanse taal. In perfect Nederlands vertelt ze ‘mijn’ AIOS (assistent in opleiding tot specialist oogheelkunde – iemand die al arts is, maar nu aan het doorleren is voor oogarts) dat ze pijn heeft als ze bepaalde kanten op kijkt. Het is haar rechter oog en het doet pijn als ze ‘naar opzij’ kijkt – wat dokters ‘lateraal’ noemen – en naar boven – superior in dokterpraat.

Het is de eerste patient die ik zie met pijn bij het bewegen van het oog en wat ik gelezen heb is dat dat best een alarmsymptoom is. Dus volkomen terecht dat de huisarts haar heeft doorverwezen. Mijn geroutineerde aios stelt de gebruikelijke vragen.

“Sinds wanneer is dit?”

“Sinds een dag.”

“Zie je minder scherp met het oog.”

“Nee. “

“Heb je lichtflitsen gezien. “

“Nee.”

“Ben je verder gezond?”

“Ja.”

“Heb je allergieen. “

“Nee…”

Dat maakt het ook niet echt veel duidelijker. Eerst maar even de visus testen (De patient naar steeds kleinere lettertjes laten kijken om te zien hoe scherp de patient ziet)…. Ze ziet perfect. Met beide ogen 125%.

Dan maar even, zoals Bassie altijd zei, de ‘binnenkant van haar ogen’ bekijken met de spleetlamp.

Jonge mensen zijn over het algemeen supergezond en er is met de spleetlamp dan ook geen enkele afwijking te vinden. De arts voelt aan haar oog en voelt een verdikking in het bovenste ooglid. ‘Mogelijk een hordoleum internum’ mompelt hij. Dat is een verstopt talgkliertje dat op kan zetten en daardoor het oog irriteert bij bepaalde bewegingen. Maar hij is niet overtuigd en vertelt me dat hij er een ‘niet pluis’ gevoel bij heeft.

Artsen hebben een heel belangrijke maat om te bepalen of er iets ernstigs aan de hand is of niet en die maat heet ‘pluis’. De meeste mensen die bij de dokter komen hebben iets dat wel weer over gaat. Of zoals mijn moeder het altijd verwoordt “Dat gaat wel weer over voordat je een meissie bent.” Maar soms krijgt een arts een ongemakkelijk gevoel bij een patient en dan noemen we dat een ‘niet pluis gevoel.’ Zo ook hier dus.

Het is half een. Mijn aios werkt al een half uur door in zijn lunchpauze en de poli is praktisch verlaten, maar hij neemt de beslissing om toch even zijn supervisor te raadplegen. We willen geen patient naar huis sturen die misschien iets ernstigs onder de (oog)leden heeft.

We lopen naar de kantine en na een korte samenvatting van wat we zojuist gezien hebben geeft de oogarts als suggestie dat de patiente even naar een rood vlak moet kijken. Afwisselend met beide ogen om te kijken of de kleur rood verschillend gezien wordt met een van de ogen. Dat is een test die gebruikt wordt om een afwijking aan de oogzenuw te ontdekken.

Terug in de spreekkamer legt mijn aios zijn telefoon met een rood vlakje voor de patiente en vraagt haar afwisselend met haar linker en rechteroog naar het rode vlakje te kijken. Ze ziet geen verschil. Nog steeds ongerust belt mijn aios zijn supervisor en vraagt of hij ook even wil kijken. Het spleetlamponderzoek levert ook bij hem geen bijzonderheden op en, vanwege de kleine verdikking van het bovenooglid wordt als werkdiagnose ‘hordoleum internum’ gesteld. Ergens onbevredigend, maar als zowel de oogarts als de oogarts in opleiding niks kunnen vinden dan moet het consult zo maar even afgesloten worden.

Het hele consult vraag ik mij af of het geen infectie kan zijn. Mams komt duidelijk uit een Afrikaans land. Een land waar de meest bizarre parasieten zitten te wachten om van mensen te snoepen. Misschien zijn ze op vakantie geweest en heeft ze iets opgelopen. Mijn aios vraagt het niet en ik krijg niet de ruimte om vragen te stellen aan de patiente. Iets wat ik achteraf best jammer vindt. Een eenvoudig “Zou de co-assistent nog iets willen vragen” van mijn aios zou me de ruimte hebben gegeven en hem wat extra tijd om na te denken. Maar voordat ik een vraag kan stellen wordt ik meegesleurd naar de supervisor.

Dat was vrijdag…..

Maandag zit ik bij dezelfde aios en komt een van zijn collega’s ongerust binnen. “Ik heb jouw patient van vrijdag in mijn spreekkamer en ze is in het weekend naar de eerste hulp geweest omdat ze meer pijn aan haar ogen kreeg. Ik denk toch aan een neuritis optica – een ontsteking van de oogzenuw.” Mijn aios baalt dat hij het gemist heeft. Ik zeg hem dat het niet zijn schuld was, want op dat moment was er geen aanwijzing dat het om een neuritis optica zou kunnen gaan en hij heeft ook nog eens zijn supervisor er bij geroepen.

We lopen heel even naar de spreekkamer van de collega en zien hetzelfde meisje die er duidelijk minder goed aan toe is. Maar de volgende patient wordt al weer opgeroepen en we moeten terug naar onze eigen spreekkamer.

De dag loopt ten einde en het is ook het einde van mij co-schap oogheelkunde. Alleen blijven sommige dingen die je meemaakt in je hoofd rondspoken.

Ook al heb ik een positieve beoordeling binnen van mijn co-schap oogeheelkunde en kan ik het af doen met ‘afgerond.. next!’ laat het mij niet los. Ik mail een van de coordinatoren van het blok of hij de mogelijkheid heeft om te kijken hoe het verloop van de casus is geweest. Hij mailt snel terug met de opmerking dat hij het niet weet en ik de aios zelf mag mailen. Dat doe ik, maar helaas duurt het een paar dagen voordat ik de conclusie moet trekken dat ik waarschijnlijk geen antwoord zal krijgen. Dat is een gemiste kans. Dit zou een enorm leermoment kunnen zijn. Niet alleen voor mij, maar ook voor de artsen die deze patiente hebben gezien. Want er gaat echt nog wel een keer een patient langskomen met dezelfde klachten en mogelijk met dezelfde oorzaak…

Ik hoop dat mijn aios nog terugmailt, maar de co-schap trein dendert voort en ik moet al weer alles van de keel, de neus en het oor leren. Soms gaat de haast waarmee artsen hun patienten weg willen werken blijkbaar ten koste van een mooi leermoment. Een ding wat ik wel bevestigd heb gekregen is dat ik, ook al kan het een hele stomme zijn, gewoon die vraag moet droppen. Het kan in mijn objectieve, niet gehinderd door al te veel voorkennis, positie zo maar een vraag zijn die tot een diagnose leidt.

Speelgoed

Oogheelkunde is wel een beetje het specialisme met het mooiste speelgoed van allemaal. Er zijn prachtige oplossingen gevonden waarmee echt alle hoeken (en soms gaten) van het oog bekeken kunnen worden. Veel er van worden ook nog eens bestuurd met een joystick en een van de aardige artsen in opleiding die mij begeleidt zei dan ook “Eigenlijk is die hele oogheelkunde een groot videospelletje.” En het speelgoed komt goed van pas bij onze volgende patient.

We kijken nog even naar de status en de arts in opleiding waarmee ik meeloop vandaag zegt zachtjes “Ah… mevrouw is aan haar stoel gebonden, dat wordt even improviseren.” Voor ik de best wel lange voorgeschiedenis van deze mevrouw, die al een eindje in de 70 is, heb gelezen wordt zij door, wat naar later blijkt haar dochter, binnen gereden.

Ze ziet wat wazig en vooral met voetbal kijken is dat soms wat lastig vertelt de vrouw. Als snel blijkt dat voetbal kijken een hele favoriete bezigheid is van mevrouw en ze vertelt ook nog eens dat ze jarenlang tegenover Johan Cruijf heeft gewoond. Dan is het doel van de behandeling wel duidelijk. De bal moet goed op het netvlies geprojecteerd worden.

Bij het meten van de visus, waarbij de patient met een oog dicht naar de welbekende letterkaart mag kijken en steeds kleinere lettertjes moet lezen blijkt dat haar zicht helemaal niet zo slecht is. Bij de kleinste lettertjes kijken haar dochter en ik elkaar aan met een blik van “Die kunnen we ook niet meer lezen hoor… en wij zitten er vlak naast.”

Omdat mevrouw wegens haar rug niet uit de rolstoel kan komen kunnen we haar ogen niet met de spleetlamp bekijken. De spleetlamp die gek genoeg genoemd is naar het kleine lampje dat het oog verlicht en niet naar de zeer geavanceerde microscoop waarmee de ogen bekeken worden en wat het apparaat eigenlijk is. Een hele mooie 3D microscoop. Als ik niet had geweten wat het was voordat ik oogheelkunde ging doen had ik ook eigenlijk gedacht dat een spleetlamp bij een ander specialisme gebruikt zou worden. Maar ‘ze’ noemen het nou eenmaal zo, dus dan blijft dat.

Mijn AIOS loopt even weg en zegt tegen mij “Vraag nog heel even de diabetes status uit in de tussentijd.” Met enige moeite kan ik vragen hoe lang de diabetes al bestaat en of het goed is ingesteld, want al snel gaat het gesprek weer over voetbal. Alleen maar gezellig natuurlijk en ik weet wat ik moet weten.

Hij komt binnen met een indrukwekkend mooi koffertje en tovert er een mini spleetlampje uit. Dit is de handspleetlamp, voor mensen die niet achter de gewone kunnen zitten zegt hij met gepaste trots. Heel geroutineerd onderzoek hij de ogen van mevrouw en behalve een klein beetje cataract (staar) blijken de ogen er nog prima uit te zien. Met een licht brilletje kunnen de kunsten van het Nederlands elftal mogelijk nog iets beter worden gezien, maar er is nog geen reden om grotere ingrepen te doen bij deze jonge 70’er.

Ze lijkt toch wel enigszins opgelucht. En terecht. Als je op 70 jarige leeftijd nog maar een heel klein beetje cataract hebt dan heb je het goed gedaan in je leven. De dokter legt uit dat een staaroperatie mogelijk is, maar dat het niet per se hoeft. Als mevrouw vindt dat ze nog goed genoeg ziet, eventueel met een lichte bril, dan is er geen haast bij, want hoewel het zicht langzaam slechter kan worden, hoeft dit niet per se en behalve dan dat de ooglens een beetje troebeler wordt kan het geen kwaad voor het oog.

Hopelijk kan ze nog jaren voetbal kijken door de staar heen. En als het echt niet meer gaat, dan kunnen we middels een staaroperatie haar lens vervangen door een kunstlens zodat het beeld weer helder is. Dan wordt een bril wel noodzakelijk, want de kunstlens die geplaatst wordt zal niet kunnen accomoderen omdat deze een vaste brandpuntafstand heeft. Maar ik heb zo’n vermoeden dat deze mevrouw een bril niet zo erg gaat vinden, zolang ze maar voetbal kan kijken.